Alternatieve vaccins voor mensen met een verzwakte afweer

13-02-2021 08:00

Categorie: Wetenschap

Alternatieve vaccins voor mensen met een verzwakte afweer

Foto: Chantal Schoumacher, Redactie: Enya van der Molen

 

Farmaceutische bedrijven doen steeds meer een beroep op monoklonale antistoffen om miljoenen mensen die geen vaccins kunnen gebruiken toch te beschermen tegen COVID-19. Maar er zijn vragen over de kosten en de werkzaamheid op lange termijn.

 

De antilichamen hechten zich aan virale eiwitten, waaronder die in de kenmerkende uitsteeksels op coronavirussen, zodat de virussen door immuuncellen worden herkend en vernietigd.

 

Daarbij wordt vooral gebruikgemaakt van zogenaamde monoklonale antistoffen. Bedrijven als AstraZeneca, Regeneron en Eli Lilly testen momenteel of monoklonale antistoffen ook mensen met een verzwakt immuunsysteem kunnen beschermen tegen het SARS-CoV-2-virus. “Vaak zie je dat patiënten na een beenmergtransplantatie last krijgen van vreselijke griepaanvallen en andere infecties, die ze niet zonder aanvullende hulp kunnen bestrijden,” zegt Nicky Longley, consultant voor infectieziekten van de University College London Hospitals. Behandelingen die voorkomen dat mensen met een verzwakte immuunrespons besmet raken met SARS-CoV-2, zullen op lange termijn ook een belangrijk onderdeel zijn van het indammen van COVID-19 in het algemeen, zegt Andrew Ustianowski, specialist voor infectieziekten aan het National Institute for Health Research in Groot-Brittannië.


Maar hoewel veel wetenschappers enthousiast zijn over de mogelijkheid om hiaten in het wereldwijde vaccinatieprogramma op te vullen met monoklonale antistoffen, zijn er ook veel vragen.

Potentiële 'game changer'
Maar ook het creëren van monoklonale antistoffen is een bewerkelijk proces. Daarbij wordt eerst een breed scala van antistoffen uit het bloed van herstellende patiënten geïsoleerd, waarna deze op dieren worden getest om uit te zoeken welke antistof het best in staat is om het virus te neutraliseren. De uitverkoren antistoffen worden vervolgens in het laboratorium gekloond en dan in reusachtige stalen bioreactoren tot industriële hoeveelheden opgekweekt. Omdat het eindproduct veel tijd kost, werden monoklonale antistoffen lange tijd beschouwd als een niet erg praktisch geneesmiddel tegen virussen.

In de afgelopen tien jaar zijn ze dan ook vooral gebruikt voor de behandeling van kanker en auto-immuunziekten. “Virussen muteren zeer snel, dus als wetenschappers de ideale zwakke plek van een virus vinden en op basis daarvan de perfecte monoklonale antistoffen produceren, is het virus alweer gemuteerd, waardoor die antistoffen zich niet goed of helemaal niet aan het virus hechten,” zegt Rodney Rohde, professor klinische laboratoriumwetenschap aan de Texas State University. Antistoffen kunnen nu al na minder dan een maand uit het bloed van herstellende patiënten worden geïsoleerd, terwijl virologen steeds beter zijn geworden in het identificeren van locaties in het virale genoom die waarschijnlijk zullen muteren. Vijf jaar geleden konden monoklonale antistoffen op z’n snelst in anderhalf jaar tijd worden geproduceerd.

Belangrijker nog is dat wetenschappers de onderliggende structuur van monoklonale antistoffen hebben aangepast, waardoor het voor het lichaam moeilijker is om ze uit de bloedsomloop te verwijderen. Dankzij deze nieuwe ontwikkelingen was de interesse in monoklonale antistoffen als middel tegen virussen al aangewakkerd voordat de coronavirus-pandemie toesloeg. En in de herfst van dat jaar financierde het Amerikaanse National Institute of Allergy and Infectious Diseases een onderzoeksprogramma om te beoordelen of het haalbaar is om monoklonale antistoffen tegen het gewone griepvirus in te zetten. Daarbij wordt geprobeerd om monoklonale antistoffen te vinden die tegen SARS-CoV-2 werken.

Tijdens een grote klinische test voor PROVENT krijgen wereldwijd 5000 patiënten met verschillende vormen van immunodeficiëntie hetzij een dosis met een cocktail van monoklonale antistoffen, hetzij een placebo. “Vaccins hebben enige tijd nodig om antilichamen te produceren, maar een injectie met monoklonale antistoffen zou meteen moeten werken, dus dat zou als preventieve maatregel kunnen worden ingezet,” zegt zij. Zowel Eli Lilly als Regeneron onderzoekt nu of deze antistoffen bescherming kunnen bieden voor bewoners van verzorgingstehuizen in gebieden waar vaccinatieprogramma’s vertraging hebben opgelopen. Vorige week maakte Eli Lilly gegevens bekend van een Fase 3-test waaruit bleek dat het middel bamlanivimab, dat het bedrijf op basis van monoklonale antistoffen heeft ontwikkeld, de kans op besmetting met COVID-19 in verzorgingstehuizen met tachtig procent verlaagt.

In dat geval denkt Ustianowski dat monoklonale antistoffen periodiek kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld elk halfjaar, om mensen met een verzwakt immuun stelsel een extra dosis bescherming te bieden, ook nadat er groepsimmuniteit in de bevolking als geheel is bereikt.

Vrees voor beperkte toegang
Een van de grote nadelen van monoklonale antistoffen is dat ze vreselijk duur zijn. Hoewel zeven van de tien best verkochte medicijnen in 2019 middelen op basis van monoklonale antistoffen tegen kanker en auto-immuunziekten waren, bedroegen de gemiddelde kosten voor deze behandelingen per patiënt 80.723 euro, wat betekent dat ze alleen in rijke landen worden ingezet. Momenteel vindt tachtig procent van de totale verkoop van officieel toegestane medicijnen op basis van monoklonale antistoffen plaats in de VS, Europa en Canada. Maar farmaceutische bedrijven die monoklonale antistoffen tegen COVID-19 hebben ontwikkeld, benadrukken dat het prijskaartje per dosis zeker niet in de tienduizenden euro’s zal lopen.

Maar in het algemeen denkt Ustianowski dat het toch beter is dat er nieuwe en dure vaccins op basis van monoklonale antistoffen beschikbaar komen voor het beperkte gedeelte van de wereldbevolking dat deze vaccins echt nodig heeft. “Als je eenmaal de juiste klonen van antistoffen hebt ontwikkeld, is de eigenlijke productieprijs vrij laag,” zegt hij. “Daarom zie je nu al dat generische fabrikanten in Azië monoklonale antistoffen tegen enkele auto-immuunziekten produceren en die tegen zeer lage prijzen per dosis verkopen.

Veiligheid voorop
Maar het prijskaartje is niet de enige zorg die er over monoklonale antistoffen bestaat. Op de ‘staart’ van een antilichaam zitten receptoren die zich normaliter hechten aan immuuncellen, waardoor de antistoffen het immuunstelsel activeren. Fabrikanten van monoklonale antistoffen hebben nu maatregelen genomen om de kans op antistof-afhankelijke versterking tot een minimum te beperken, bijvoorbeeld door de gentechnologische ontwikkeling van receptoren met mutaties, die voorkomen dat antistoffen zich op deze wijze aan een virus hechten. Een ander belangrijk punt van zorg is de vraag of monoklonale antistoffen niet snel obsoleet worden als er nieuwe varianten van het SARS-CoV-2-virus opduiken, iets wat nu al een grote uitdaging blijkt te zijn.

Recent onderzoek in de VS, Zuid-Afrika en China lijkt erop te wijzen dat de medicijnen van Eli Lilly en GSK, die telkens uit één enkele monoklonale antistof bestaan, misschien niet werkzaam zijn tegen één of meerdere van de drie belangrijke varianten van SARS-CoV-2 die tot nu toe zijn opgedoken. Het product van Regeneron bestaat uit een cocktail van twee monoklonale antistoffen en uit de gegevens over dit middel zou blijken dat het ook tegen de nieuwe varianten werkzaam is. Eli Lilly en GSK voeren momenteel tests uit om uit te zoeken of een combinatie van hun monoklonale antistoffen een cocktail kan opleveren die wél tegen de varianten kan worden ingezet. Er zijn nog geen gegevens beschikbaar over de werkzaamheid van AstraZeneca’s monoklonale antistof tegen de nieuwe varianten.

Als monoklonale antistoffen uit zulk plasma het coronavirus niet meteen onschadelijk maken, dan zouden ze daardoor juist de vorming van nieuwe mutaties kunnen aanwakkeren en zo nieuwe varianten creëren. Daarentegen denken veel experts op het gebied van monoklonale antistoffen dat de grootschalige inzet van deze middelen als preventieve vaccins voor kwetsbare groepen het ontstaan van nieuwe varianten juist tegengaat. Voor de wetenschappers die de leiding hebben over de klinische tests van PROVENT, zal veel afhangen van de komende maanden en van de vraag of kan worden aangetoond dat monoklonale antistoffen kwetsbare mensen langdurig kunnen beschermen. Als dat het geval is, zal het voorschrijven van monoklonale antistoffen aan patiënten met immuundeficiënties tot de medische standaardpraktijk gaan behoren.