De vergeten 'eerste emancipatie' van de Amerikaanse slaven

11-03-2021 08:00

Categorie: Geschiedenis

De vergeten 'eerste emancipatie' van de Amerikaanse slaven

Foto: Sabrine el Alami, Redactie: Dylan Meijer

 

Niet Abraham Lincoln maar een gouverneur van de Britse kroon was de eerste die de zwarte slaven van de VS vrijheid aanbood, in ruil voor hun steun in de strijd tegen de Amerikaanse revolutionairen.

 

Maar aan de kant van de Britten vochten honderden zwarte soldaten voor George III. Volgens berichten uit die tijd droegen deze zwarte soldaten, ingedeeld in het ‘Ethiopische Regiment’ , sjerpen met daarop de woorden ‘Vrijheid voor slaven’. De zwarte soldaten waren voor de zaak van de Britten gewonnen door een vroege ‘proclamatie van emancipatie’, die bijna een eeuw vóór de beroemde Emancipatieproclamatie van president Abraham Lincoln werd uitgevaardigd. Bij het uitbreken van de Amerikaanse Revolutie was Virginia de grootste en meest welvarende van de dertien kolonies en bestond de bevolking van de staat bijna voor de helft uit zwarte mensen.

 

In april 1775, toen revolutionaire milities de Britten in Massachusetts belaagden, vatte Lord Dunmore het plan op om indiaanse en zwarte Amerikanen in te zetten om de groeiende opstand in zijn kolonie in de kiem te smoren. De Schot John Murray, Earl of Dunmore, bood zwarte slaven vrijheid aan als ze zich bij de Britse troepen zouden aansluiten, ook al was hij zelf slavenhouder.

De Schot John Murray, Earl of Dunmore, bood zwarte slaven vrijheid aan als ze zich bij de Britse troepen zouden aansluiten, ook al was hij zelf slavenhouder.

In Dunmore’s proclamatie werd verklaard dat “al die contractarbeiders, Negers en anderen (...) vrij zullen zijn die in staat en bereid zijn wapens te dragen (...).”

 

Aanvankelijk zag Dunmore van het plan af en stuurde een groep Afro-Amerikaanse slaven weg die naar het paleis van de gouverneur in Williamsburg was getogen om zijn steun aan de koning te betuigen en voor vrijlating te pleiten. Zowel slaven als vrijgelaten Afro-Amerikanen trokken naar de havenstad op de zuidoever van de Chesapeake Bay om voor emancipatie te pleiten en bescherming te zoeken. Dat zette andere slaven ertoe aan om eveneens te vluchten en in roei- of zeilbootjes naar Norfolk te komen. In The Virginia Gazette werd gewaarschuwd voor een “Norfolk boordevol slaven, klaar om in opstand te komen als hun leider dat beveelt” en met die leider werd Lord Dunmore bedoeld.

 

Gesterkt door deze strategische zege trok Dunmore Kemp’s Landing binnen en liet een proclamatie voorlezen waarin hij alle zwarte slaven en contractarbeiders in Virginia “die bereid en in staat zijn om wapens te dragen” vrijlating beloofde en hij mensen opriep om zich aan te sluiten bij “de standaard van Zijne Majesteits troepen, zo snel als zulks mogelijk is. ” En inderdaad sloten veel zwarte slaven zich bij de koninklijke troepen aan, hoewel de slaven die eigendom waren van loyalistische Amerikanen naar hun meesters werden teruggestuurd. Terwijl de patriotten naar de havenstad oprukten, gingen loyalistische vluchtelingen en ontsnapte slaven aan boord van Britse schepen in de haven. Tenminste duizend Afro-Amerikaanse slaven uit heel Virginia en Maryland trokken te voet of per boot naar Norfolk om zich onder bescherming van de gouverneur te stellen.

 

Volgens Jill Lepore, historica aan de Harvard University, was het vooral het aanbod van Lord Dunmore om slaven vrij te laten, meer nog dan de veldslagen bij Lexington en Concord, “die de weegschaal deed doorslaan ten gunste van Amerikaanse onafhankelijkheid. “Er was geen schip in de vloot waar elke nacht niet één, twee of meer doden overboord werden gegooid,” schreef Dunmore, een man die ooit goed bevriend was geweest met Washington en nu door de rebellen als tiran en door de slaven van Virginia als bevrijder werd afgeschilderd. Enkele van de bevrijde slaven bleven in New York voor de Britten vechten en velen vestigden zich later in Nova Scotia.