Reddingsactie leidt tot vondst van Dode Zee-rollen en een prehistorische mand

23-03-2021 08:00

Categorie: Geschiedenis

Reddingsactie leidt tot vondst van Dode Zee-rollen en een prehistorische mand

Foto: Sabrine el Alami, Redactie: Reinhard Lasscher

 

De Bijbelfragmenten die tijdens een meerjarige Israëlische expeditie zijn ontdekt, hebben opzien gebaard, maar archeologen zijn vooral verrukt over een intact gebleven mand uit de Steentijd.

 

De eerste nieuwe fragmenten van de Dode Zee-rollen die in ruim een halve eeuw zijn gevonden, zijn ontdekt in een spelonk die door archeologen de ‘Grot der Verschrikking’ wordt genoemd.

 

Tijdens een meerjarige poging van de Israeli Antiquities Authority om plunderaars van afgelegen grotten in de Woestijn van Judea vóór te zijn, zijn voor het eerst sinds een halve eeuw weer fragmenten van de Dode Zee-rollen ontdekt en is bovendien mogelijk het oudste intacte voorbeeld van een mand gevonden, zo maakte de Israëlische oudheidkundige dienst deze week bekend.
Daarbij moesten de archeologen van de dienst van tientallen meters hoge rotswanden abseilen en door dikke lagen vogel- en vleermuismest graven, en dat in een afgelegen en kurkdroog gebied langs de westoever van de Dode Zee dat het doelwit is van goed uitgeruste plunderaars.
“We hebben jarenlang achter illegale smokkelaars van oudheden aangezeten. Uiteindelijk besloten we deze dieven vóór te zijn en de voorwerpen in de grond en de grotten te bergen,” zei Amir Ganor, hoofd van de IAA-afdeling die zich bezighoudt met het voorkomen van diefstal, in de video die gelijktijdig met de perspresentatie van de vondsten is gepubliceerd.
Gedurende het lopende project, dat in oktober 2017 van start ging, zijn tot nu toe zeshonderd grotten in een ruim 72 kilometer lange reeks van steile rotswanden in de Woestijn van Judea onderzocht; de woestijn strekt zich uit in zowel Israëlisch gebied als in Zone-C van de bezette Westelijke Jordaanoever, die onder militair en civiel bestuur van Israël valt.
Hoewel archeologische opgravingen in bezette gebieden volgens internationale verdragen verboden zijn, stelt de Israëlische regering dat zij reddingsoperaties mag uitvoeren als cultureel erfgoed gevaar loopt.


'Grot der Verschrikking'
Tijdens opgravingen die eind 2019 en begin 2020 zijn verricht, werden nieuwe fragmenten van de Dode Zee-rollen gevonden in Grot 8 van de wadi of drooggevallen canyon van Nahal Hever. Grot 8 staat ook bekend als de ‘Grot der Verschrikking’ omdat tijdens opgravingen in deze spelonk in de vroege jaren zestig de stoffelijke resten van veertig volwassenen en kinderen zijn gevonden. Aangenomen wordt dat het om Joodse slachtoffers gaat die zich tijdens de Bar-Kochba-opstand van 132-135 na Chr. voor Romeinse soldaten trachtten te verschuilen en van de dorst stierven. De ingang van de grot ligt ruim 75 meter onder de top van een loodrechte rotswand en was in de Oudheid waarschijnlijk via touwladders toegankelijk.
Speciaal opgeleide archeologen van de afdeling anti-diefstal van de Israëlische oudheidkundige dienst IAA moesten van een loodrechte, ruim 75 meter hoge rotswand abseilen om Grot 8 te bereiken. In de Oudheid was de grot waarschijnlijk toegankelijk via touwladders.
De ongeveer twintig nieuwe fragmenten zijn afkomstig van de zogenaamde Rol van de Twaalf, die uit de eerste eeuw na Chr. dateert. Delen van deze rol werden aan het begin van de jaren vijftig in Nahal Hever gevonden door plaatselijke bedoeïenen en in Jeruzalem verkocht. Begin jaren zestig werden diverse archeologische opgravingen in Grot 8 verricht om nog meer fragmenten van de rol te vinden.
Evenals andere fragmenten van de Rol van de Twaalf uit Nahal Hever zijn ook de nieuwe fragmenten door twee verschillende schrijvers in het Grieks geschreven, zegt Oren Ableman, onderzoeker van de afdeling Dode Zee-rollen van het IAA. Ook de textuur van het perkament lijkt op of is identiek aan die van eerder gevonden fragmenten die tot deze rol worden gerekend.

 

“Als er een nieuw fragment van een Bijbeltekst in het Hebreeuws, Aramees of Grieks wordt ontdekt, werpt zo’n tekst bijna altijd belangrijk nieuw licht op de schrijvers van de Oudheid, de oude kopiisten, en op Bijbelse teksttradities”, zegt hij.

 

Belangrijker nog is volgens Rollston dat de rol naast verzen uit de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks ook verwijzingen naar de naam van God in een archaïsch, proto-Hebreeuws schrift bevat, dat eventuele lezers eraan moest herinneren dat de naam van God niet hardop uitgesproken mag worden.


In de oorspronkelijke Hebreeuwse Bijbel hield het derde gebod uit Exodus 20:7 in dat de naam van de Heer niet ijdel gebruikt mocht worden. “Het verbiedt de gelovige om de naam van God op een terloopse, onachtzame manier te noemen”, legt Rollston uit.


Maar in de Zugot, in de Hebreeuwse tijdrekening de Periode van de Tweede Tempel, “werd besloten dat men de naam van God maar beter helemaal niet meer moest uitspreken, als de beste manier om dat gebod niet te overtreden”, aldus Rollston.


Het is niet het eerste voorbeeld waarin kopiisten in de Oudheid archaïsch proto-Hebreeuws in Griekse teksten hebben gebruikt om het verbod op het uitspreken van Gods naam te benadrukken, maar elk nieuw stukje bewijs bevestigt de ouderdom van deze traditie. “Het feit dat deze woorden in de rol anders worden geschreven, is echt een belangrijke aanwijzing”, zegt Rollston.


Tijdens het lopende project zijn ook de stoffelijke resten van een kind gevonden, dat circa zesduizend jaar geleden in de ‘Grot der Verschrikkingen’ is begraven.

 

Lege mand, grote vragen
Hoewel de fragmenten van de Dode Zee-rollen de eerste zijn die in ruim een halve eeuw zijn gevonden, zijn archeologen uit de hele wereld vooral verrukt over een nog opmerkelijker vondst: een volledig intact gebleven mand van zo’n 10.500 jaar oud. Het oudste voorwerp van deze aard en kwaliteit dat ooit is gevonden.


De lege mand werd ontdekt tijdens opgravingen in Grot 4 in de Wadi Muraba’at, die zo’n vijftien kilometer van Grot 8 op de Westelijke Jordaanoever ligt. De mand is gevlochten van plantaardige repen en door de extreme hitte en droogte in de regio zeer goed bewaard gebleven, met inbegrip van een intact deksel. Het gaat om een grote mand, met een inhoud van zo’n honderd liter. Uit voorlopig onderzoek blijkt dat het artefact door twee verschillende vlechters is vervaardigd, van wie de ene linkshandig was.

Deze 10.500 jaar oude mand werd leeg maar geheel intact gevonden. Toekomstig onderzoek kan misschien duidelijk maken wat er ooit in de mand, met een inhoud van circa honderd liter, werd bewaard.

 

“Het is zeker niet de eerste of de oudste mand die ooit is gevonden,” zegt Bill Finlayson, directeur van het programma voor bedreigde archeologische vindplaatsen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika van de University of Oxford. “Maar de andere manden die zijn ontdekt, zijn allemaal platgedrukt of er zijn alleen fragmenten van gevonden.” Andere bewijzen voor zeer oude manden zijn afdrukken van vlechtwerk in opgedroogde klei.

 

“Dit is de eerste keer dat we als het ware een driedimensionale mand van deze ouderdom hebben gevonden,” zegt Finlayson.

 

De mand stamt uit een tijd die door archeologen wordt aangeduid met de term ‘Prekeramisch Neolithicum-B’ (‘Pre-Pottery Neolithic B’ of PPNB), een belangrijk tijdperk tussen 10.950 en 8900 jaar geleden waarin jager-verzamelaars in het Nabije Oosten geleidelijk aan overstapten op een bestaan als landbouwers en veehoeders en de eerste boerendorpen ontstonden.

 

“Ze hadden nog niets eens aardwerk. En ze experimenteerden met de nieuwe landbouw,” zegt Edward Banning, archeoloog aan de University of Toronto. “Maar ze vestigden zich al wel in grotere nederzettingen en vormden tamelijk complexe samenlevingen.”

 

Hoewel gewassen in houders opgeslagen moesten worden om de voedselvoorziening ook buiten het groeiseizoen veilig te stellen, zijn er op de meeste PPNB-vindplaatsen geen of relatief kleine voorraadkuilen gevonden, zegt Banning.

 

“We hebben altijd aangenomen dat deze landbouwers hun voorraden in manden bewaarden, maar we vinden de manden niet,” zegt hij. Hij omschrijft deze vondst dan ook als “ongelooflijk.”

 

Banning vraagt zich af waarom deze mand ruim 10.000 jaar geleden in een grot nabij de Dode Zee is achtergelaten, ver van de vruchtbare hooglanden in het westen, waar de dorpelingen uit deze periode hun gewassen verbouwden. Een verklaring kan zijn dat mensen in het Neolithicum op deze plek zout wonnen om te verhandelen.

 

“De mand is prachtig bewaard gebleven en zal nog vele jaren worden bestudeerd,” zegt hij.

 

Volgens Finlayson is het complexe vlechtpatroon van de mand niet alleen functioneel maar moet het zijn Neolithische makers en gebruikers ook esthetisch hebben bekoord.

 

“Zo’n mooie mand is eigenlijk niet zo verrassend. Het feit dat we zo weinig organische artefacten uit deze periode vinden, doet ons vaak vergeten dat ze waarschijnlijk veel van deze voorwerpen gebruikten.”